Column: Zondag rustdag

Daar zitten we dan, pas voor de derde keer sinds ik deel uitmaak van deze Venlose inboedel, “gezellig” met zijn allen in de woonkamer. Drie mannelijke huisgenoten plus één vrouw aanhang. Eerst krijg ik ze op mijn flikker omdat ik vannacht de voordeur weer eens open had laten staan. Wellicht met het slaapdromende vermoeden dat er nog een dame of drie achter me aan naar binnen zouden lopen. Daarna wisselden mijn gemekker over een kater en rugpijn zich af met een LP van Charles Bradley en J.’s luidruchtige zoektocht naar zijn kwijtgeraakte autosleutel. V.’s gelach leukt de situatie op zoals stukjes vlees dat voor mij met een salade doen.

Terwijl J. zelfs in de vaatwasser aan het zoeken is naar zijn autosleutel, pinguïn ik richting de waterkoker. Eén nies, een flinke pijnscheut en drie seconden later lig ik midden in de woonkamer buiten bewustzijn op de stoffen vloer. Voor heel eventjes, want dankzij de snel toegepaste eerste hulpverlening van V. – zes bitchslaps in mijn gezicht – ben ik al gauw weer bij zinnen. Voor zover daar bij mij sprake van is natuurlijk. Waar half Limburg uit zijn plaat gaat op Solar, breng ik de rest van de dag als een kasplantje door. Eenzaam en alleen. Elke beweging is er een te veel. Na een belletje met de fysio luidt de conclusie een defecte rib. Voor de zoveelste keer. Hij wilt er “best even naar kijken”, maar ik weet hoe dat gaat. ‘Kijken’ doet de beste man met zijn handen, en zo’n behandeling nadert gevoelsmatig de grens van mishandeling.

Na twee uurtjes van stilleven begin ik aan de lange lijdensweg naar het toilet. Nadat ik net op de porseleinen troon ben neergeplofd, hoor ik fel geschreeuw op straat. Ruzie. Godverdomme. In mijn ontblote torso, die sinds de vakantie helaas weer draagruimte biedt voor twee à drie ongeborenen, slenter ik met 2 kilometer per uur de woonkamer door, jammerend de trap af, in de richting van mijn grote boodschapverstoorders. Buiten om de hoek tref ik twee vechtende jongens en een perplexe meid aan die ook een klap heeft gehad. Bloed, zweet, maar geen tranen. Ze heeft de politie al gebeld zegt ze, duidelijk in paniek, terwijl ik tussen de twee jongens in ga staan. Aangezien een harde windvlaag vandaag al pijn doet heb ik fysiek niks in te brengen.

‘Goeijemiddaag same’ begroet ik het vechtduo. Buiten pijn en vreetzucht straal ik rust uit. Omdat beide kneuzen elkaar nog steeds in de haren willen vliegen probeer ik de jongen wiens hoofd met meer bloed dan haar is bedekt naar mijn appartement te kinderlokken. ‘Bloodkop’ noem ik hem uit praktisch oogpunt. Hij lijkt niet vrijwillig mee te willen lopen, maar gelukkig komt op dat moment de politie al aanzetten. Met twee wagens overigens, binnen een responstijd van nog geen vijf minuten. Na een korte toelichting – ‘Nee, ik ben geen slachtoffer’ – neem ik de meid mee naar mijn appartement, Opvangcentrum Venlo.

Een “zwaardgevecht” met paraplu’s blijkt uit de hand te zijn gelopen waarna er onder meer met een strijkijzer is geslagen. Dus. Zelf ben ik gewend om paraplu’s tegen de regen te gebruiken en zo’n ijzer om mijn overhemden mee te strijken. Oppe Ruiver is dat gebruikelijk op die manier. Op het moment dat mijn buur-buur-buurmeisje de innerlijke rust weer gevonden lijkt te hebben komen een van de kneuzen en heer en (een leuke) dame politieagent ook naar boven gelopen. Bloodkop is al weg. Ik word vriendelijk bedankt voor mijn interventie en gastvrijheid. Op mijn beurt bedank ik iedereen voor de gezelligheid en ga ik weer verder met mijn miserabele en levenloze zondagmiddag als kasplantje.

Jeroen Litjens – Ogenblikje.com